We zorgen er samen voor

Complicatie bevalling

Dreigende vroeggeboorte (prematuriteit)

Begint de bevalling (weeën en/of gebroken vliezen) voor de 37e zwangerschapsweek, dan noemen we dit een dreigende vroeggeboorte. Deze zorg valt onder begeleiding van de gynaecoloog. Een dreigende vroeggeboorte is altijd reden voor opname (in het ziekenhuis).

De behandeling is afhankelijk van de zwangerschapsduur, de conditie van jezelf en het kind en de mate van de ontsluiting. Beginnen de weeën voor de 34e week, dan wordt, afhankelijk van de situatie, geprobeerd de weeën te remmen. Na een zwangerschapsduur van 34 weken is dit meestal niet meer zinvol.

Langdurig gebroken vliezen

Circa 10 procent van de bevallingen begint met het breken van de vliezen. Ruim 70 procent van de zwangere vrouwen krijgt binnen 24 uur na het breken van de vliezen spontaan weeën. Beval je niet binnen 24 uur na het breken van de vliezen, dan spreken we van langdurig gebroken vliezen. De bevalling vindt dan onder begeleiding van een klinisch verloskundige, een artsassistent of een gynaecoloog plaats, er bestaat dan een medische indicatie.

Vaak wordt er nog 24 uur extra afgewacht. Heb je de ochtend na 48 uur gebroken vliezen nog steeds geen weeën, dan kan de bevalling ingeleid worden. Na de bevalling worden jij en je kindje 24 tot 48 uur opgenomen. Dit vanwege het licht verhoogde risico op infectie bij je kindje na de geboorte.

Meconiumhoudend vruchtwater

Normaal vruchtwater is helder als kraanwater met wat vlokjes, het kan ook een beetje rozig zijn en ruikt een beetje zoet. Het vruchtwater kan ook een groene of bruinige kleur hebben. Dan heeft je kindje in het vruchtwater gepoept. We noemen dit meconiumhoudend vruchtwater. Dit kan al aan het einde van je zwangerschap zijn ontstaan of pas tijdens de bevalling.

Meconiumhoudend vruchtwater kan een teken zijn dat je kindje het benauwd heeft of heeft gehad. Daarom willen we je kindje tijdens de bevalling extra goed in de gaten houden. Dat doen we met een hartfilmpje (CTG). Is er sprake van meconiumhoudend vruchtwater, dan draagt je verloskundige de zorg altijd over, er bestaat medische indicatie. In de meeste gevallen wordt je kindje zonder problemen geboren.

Niet vorderende ontsluiting

Van een niet- of onvoldoende vorderende ontsluiting wordt gesproken wanneer de weeën niet voor voldoende ontsluiting zorgen. De weeën zijn dan niet krachtig genoeg of komen niet (meer) regelmatig genoeg.

Door de vliezen te breken wordt geprobeerd de weeën krachtiger te maken. Heeft dit onvoldoende resultaat, dan kunnen de weeën versterkt worden met medicijnen (weeënstimulerend hormoon) via een infuus. De gynaecoloog (of klinisch verloskundige of arts-assistent onder supervisie van de gynaecoloog) begeleidt dan de bevalling.

Daarnaast kan de gynaecoloog ervoor kiezen om de bevalling te bespoedigen met behulp van een kunstverlossing (vacuümpomp, tangverlossing of keizersnede).

Kunstverlossing

De twee meest voorkomende situaties waarin besloten wordt om een kunstverlossing te verrichten zijn:

  •  verdenking op een afwijkende hartactie van het kind: het kindje heeft het mogelijk moeilijk en men spreekt van foetale nood;
  • onvoldoende vordering van de uitdrijving. Hiervan is sprake wanneer het persen te lang duurt en/of niet voldoende vordert.

Vacuümextractie

Bij een vacuümextractie wordt een zuignapje op het hoofdje van het kind gezet. Daarna wordt deze zuignap vacuüm gezogen. Deze laat dan niet meer vanzelf los. Tijdens een wee moet je blijven persen terwijl er getrokken wordt aan de zuignap. Je kindje wordt daarna meestal zonder veel problemen geboren. Na de geboorte heeft je kindje meestal een bult op het hoofd op de plek waar de zuignap heeft gezeten. Dit trekt binnen een paar dagen weg. Ook kan je kindje wat hoofdpijn hebben en misselijk zijn van de vacuüm. Doe het de eerste 24 uur dus extra rustig aan met je kindje. Soms schrijft de kinderarts een pijnstiller voor.

Tangverlossing

Er worden twee metalen lepels in de vagina gebracht. Deze omvatten het hoofd van je kindje. Tijdens het meepersen wordt er met behulp van de lepels aan het hoofdje getrokken. Is het hoofdje eenmaal geboren, dan volgt de rest van het lichaam vaak zonder veel problemen. Deze methode wordt niet tot nauwelijks meer uitgevoerd.

Keizersnede (sectio caesarea)

Bij een keizersnede wordt je kindje via je buikwand geboren. Dit is een operatie die meestal plaatsvindt onder lokale verdoving (een ruggenprik). Zo kun je toch nog bewust de geboorte van je kindje meemaken. We zullen als de situatie dit toelaat, de keizersnede zo natuurlijk mogelijk laten verlopen. Eventuele wensen zullen we zoveel mogelijk proberen mee te nemen. Bespreek deze van tevoren met je verloskundige of gynaecoloog .

Een keizersnede kan gepland zijn, zoals bij een stuitligging of voorliggende placenta. Dit zal dan meestal aan in de 39e week gepland worden.

Gentle sectio

gentle sectioSinds het voorjaar van 2014 is het mogelijk om voor de ‘gentle sectio’ te kiezen. Dit betekent dat je baby wel door middel van een keizersnede geboren wordt, maar op een zo natuurlijk mogelijke manier. Het verschil met een ‘normale’ keizersnede is onder meer dat je de mogelijkheid krijgt om je baby geboren te zien worden. Het doek dat het zicht op het operatiegebied belemmert, zal dan vlak voor de geboorte van de baby omlaag gedaan worden. Een ander verschil is dat je partner bij de ruggenprik aanwezig kan zijn. Ook wordt het omgevingslicht gedempt en er is een mogelijkheid om zachte muziek te luisteren. Na de geboorte wordt je baby -indien zijn of haar conditie dit toelaat – direct bij moeder gelegd. Met instemming van de kinderarts en de anesthesioloog kan de baby bij je blijven liggen totdat je terug bent op de kraamsuite. Deze gentle sectio is alleen mogelijk in geval van een geplande keizersnede. Indien je conditie en die van je baby dit toelaat bestaat de mogelijkheid direct na het beëindigen van de operatie terug te keren naar afdeling Verloskunde. Op de kraamsuite worden je bloeddruk, de polsslag, het bloedverlies en de hoeveelheid urine
regelmatig gecontroleerd. Via het infuus krijg je vocht en eventueel medicatie toegediend.

Stuitbevalling

Bij een stuitligging ligt het kindje niet met het hoofd naar beneden maar met zijn billen of voeten. Dit is maar 4 procent van alle zwangerschappen. Vaak wordt aan het einde van de zwangerschap geprobeerd om het kindje te draaien (versie). Als je kindje in stuitligging blijft liggen, dan bespreekt de gynaecoloog samen met jou wat de adviezen en mogelijkheden zijn rondom de bevalling. Daarbij wordt besproken of een vaginale bevalling verantwoord is of dat juist een keizersnede geadviseerd wordt. Zelf heb je daar ook een belangrijke stem in.

Vastzittende placenta

De placenta wordt ook wel moederkoek of nageboorte genoemd. Meestal wordt de placenta binnen 30 minuten na je kindje vanzelf geboren. Soms zit de placenta zo vast, dat deze niet vanzelf geboren wordt. Ben je op dat moment onder begeleiding van de verloskundige, dan wordt de zorg overgedragen aan de gynaecoloog. De gynaecoloog kan met extra medicatie alsnog proberen om de placenta spontaan geboren te laten worden. Lukt dit niet dan moet de placenta op de operatiekamer onder algehele verdoving (narcose) verwijderd worden. Mocht je veel bloedverlies hebben bij een nog vastzittende placenta kan de overdracht naar de gynaecoloog sneller plaatsvinden.

Bloeding

Bloedverlies tijdens en na de bevalling is normaal. Direct na de bevalling kan het verlies wat meer zijn. Het bloedverlies komt met name vanuit de baarmoeder en soms uit de wond als je ingeknipt of ingescheurd bent. Meteen na de bevalling krijg je standaard medicijnen via een injectie of infuus toegediend om het bloedverlies te beperken. Vaak helpt dit voldoende. Meer dan 500cc (een halve liter) bloedverlies is veel. In dat geval wordt met andere medicatie geprobeerd om het bloedverlies te stoppen en wordt je blaas leeggemaakt. Soms is het ruime bloedverlies het gevolg van een het feit dat een deel van de placenta nog in de baarmoeder vast zit. In dat geval maakt men onder verdoving (narcose) de baarmoeder verder schoon. Bij meer dan 1000cc (een liter) bloedverlies spreken we van een nabloeding (fluxus).